Jan Grollé
Mijn vader. Er is een hoop over hem te zeggen. Ik laat hem hieronder zelf maar aan het woord, over de eerste 30 jaar:
Mijn familie en mijn eerste jaren
Ik ben in 1917 in Arnhem geboren. Mijn vader was bij de marechaussee geweest; daardoor ben ik daar geboren. De ouders van mijn moeder woonden in Arnhem en mijn grootouders van vaderskant in Velp.
Mijn grootvader van vaderskant heette ook Jan. Naar hem ben ik genoemd. Ik denk dat hij, voordat hij trouwde, een nogal avontuurlijk leven heeft gehad. Hij had een tatoeage van een ankertje. Wat dat ankertje betekende, wilde hij nooit vertellen.
Ik herinner me ook dat mijn broer en ik van houten stokjes een Indisch huisje maakten. Mijn grootvader wist precies hoe dat moest. Maar of hij zelf in de Oost was geweest, werd er niet bij verteld.
Mijn vader had een zuster gehad die jong aan tuberculose was gestorven. Zij had een oom verzorgd die tb had en was bij het verzorgen zelf besmet geraakt. Daar is zij aan gestorven. Toen ik mijn grootouders kende, was mijn vader hun enige overgebleven kind.
Over de familie Grollé werd verteld dat die uit de hugenoten voortkwam en vanuit Frankrijk via Kleef naar Nederland was gekomen. Of onze eigen tak precies langs die weg was gekomen, wist ik niet. Mijn moeder heeft wel stamboomgegevens opgeschreven die een heel eind teruggingen. Die papieren heb ik bewaard.
Mijn eerste eigen herinneringen zijn aan Amsterdam. Wij woonden in de Czaar Peterstraat. Ik speelde buiten op de stoep toen er een grote herdershond aankwam. Die zei waf, waf tegen mij. Ik gilde en liep op mijn kleine beentjes zo hard mogelijk weg. Het was een doodlopende straat, en ik ben geëindigd met een grote drol in mijn broek. Verder weet ik er niets meer van.
Mijn broertje Gerrit is daar thuis geboren. ‘Geef je broertje maar een kusje,’ werd er gezegd. Dat heb ik gedaan. Ik herinner me nog dat hij als pasgeboren baby een bepaalde geur had.
Ons huis lag vlak bij de werf waar mijn vader hoofdportier was. De Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij, de NSM, meen ik. Achter het huis was een binnenplaats met een houten schutting. Daar zaten spleten in, en daar kon ik doorheen kijken. Dan zag ik hoe ze op de werf met platen aan het sjouwen waren. Er stond ook wind op die schutting; als je erdoorheen keek, was dat rottig voor je ogen.
Mijn vader nam mij weleens mee achter op zijn fiets. Dat was zo’n ouderwetse fiets met een ijzeren bagagedrager. Ik hield mij vast aan het zadel, waar stalen veren onder zaten. Een keer kreeg ik mijn vingers tussen die veren. Dat was niet leuk.
In Amsterdam ben ik naar de lagere school gegaan. Wij schreven nog met griffel en lei. Zo’n lei was echt van steen. Ik had een griffeldoos met een vochtig watje erin om de lei weer schoon te vegen. Er waren verschillende soorten griffels, en ik had mooie.
Als een griffel stomp was geworden, scherpte je hem aan de stenen van het schoolgebouw. Daar zaten al gaatjes in van al dat slijpen. Ik was nog maar een klein hukje. Er waren grotere jongens, misschien ook meisjes, die mij wel wilden ‘helpen’. Die hielpen mij prompt van al mijn mooie griffels af. Toen had ik niets meer. Mijn moeder was niet blij toen ik thuiskwam.
Op die school kregen wij al gymnastiekles. Dat herinner ik me goed, want later in Velp hebben wij dat helemaal niet gehad.
Een andere herinnering die mij nooit verlaten heeft, is aan Sinterklaas. Wij waren met Sinterklaas in de stad. Er liepen allerlei Sinterklazen rond, waar ik niets van snapte. Toen kregen er twee ruzie met elkaar en de een sodemieterde de ander dwars door een winkelruit. Dat heb ik gezien. Daarna was het hele Sinterklaasidee bij mij weg.
Naar Velp
Toen ik nog klein was, verhuisden wij naar Velp. Hoe oud ik precies was, weet ik niet meer. Er kwam een verhuiswagen voor de spullen, maar wij gingen met een auto. Mijn grootvader had een chauffeur naar Amsterdam gestuurd om ons op te halen.
Dat was een gehuurde Renault met zo’n aflopende motorkap en een open gedeelte waarin je zat. Voor die tijd was het een hypermodern vervoermiddel. Ik was toen al gek op auto’s. Hoe wij precies van Amsterdam naar Velp gereden zijn, weet ik niet meer. Ik weet alleen dat ik het verrekte koud had.
Mijn vader had zijn baan als hoofdportier verloren. Hij vertelde dat hij ruzie had gehad met de directie. Aan de poort moesten zij controleren wat de werklui meenamen. Als een werkman een pakje spijkers had meegenomen, werd hij meteen ontslagen. Maar volgens mijn vader liet de directie zelf hele badkamers aanleggen op kosten van de werf. Daar had hij iets van gezegd, misschien toen al vanuit een soort vakbondsgevoel. Toen was het afgelopen.
Mijn grootvader had in de Oranjestraat in Velp een winkelpand gehuurd en daar mijn ouders in gezet. Zij hadden immers geen baan meer. Het was een winkel in comestibles, zoals dat toen heette: boter, kaas en eieren, blikken groenten en dat soort dingen. Een kruidenier, een klein Albert Heijntje.
Later kocht mijn grootvader een ander pand en verhuisde de hele winkel daarheen. Dat huis is later verbouwd; waar eerst een zolder was, kwam een verdieping op. De winkel bestond nog toen ik adelborst werd.
Het huis van mijn grootvader aan de Noorderparallelweg kan ik als het ware nog helemaal tekenen. Het stond aan de noordkant van de spoorbaan. Aan de andere kant liep de Zuiderparallelweg. Het was een twee‑onder‑een‑kapwoning; de andere helft was verhuurd. Achter het huis lag een vrij grote moestuin.
Op de scheiding van de percelen stond een waterpomp met een slinger. Die moest in de winter met stro worden ingepakt om te voorkomen dat hij bevroor. Dat was de watervoorziening. Waterleiding binnen heb ik daar nooit gezien.
Eerst was er ook geen elektriciteit. Er was gaslicht met zo’n gloeikousje. Ik herinner me nog dat mijn grootvader elektriciteit liet aanleggen. De draden liepen langs porseleinen knopjes. Ook die schakelaars waren iets aparts; heel anders dan tegenwoordig.
Het toilet was wel binnen, maar het was eigenlijk een plank met een gat erin. In Amsterdam hadden wij, voor zover ik mij herinner, al een echte pot met water. De verhuizing naar Velp was dus niet in alle opzichten vooruitgang.
Mijn grootmoeder van vaderskant liep nog in Friese klederdracht. Daarmee was zij ook in Velp bekend. Toen ik nog klein was, werd zij met longontsteking in het ziekenhuis opgenomen. ‘Zeg maar goedendag tegen oma.’ Ik werd bij het bed opgetild om haar een kusje te geven. Wat er aan de hand was, zei mij op dat moment geen bliksem. Maar zij is wel gestorven.
Van de begrafenis weet ik niets meer. Zij was de eerste die in het familiegraf op Heiderust werd begraven. Later liepen wij op zondagen weleens naar de graven toe. Dat was heen en terug lopen, hoor.
Met Gerrit speelde ik wel, maar wij deden niet uitzonderlijk veel samen. Hij was meer aan het dorp verknocht dan ik. Leren ging hem minder gemakkelijk af. Hij heeft later, voor zover ik weet met wat moeite, zijn mulo A gehaald en een baantje gekregen bij de Gelderse Tram. Hij begeleidde daar de bussen die vanuit Arnhem reden.
School in Velp en Arnhem
Op de lagere school had ik eigenlijk nooit ruzie. Eén keer is het gebeurd dat ik zo kwaad werd dat ik een jongen een reuzeopsodemieter gaf. Hij viel erbij neer en heeft mij daarna nooit meer lastiggevallen. Dat is in mijn hele schooltijd maar één keer gebeurd.
De lagere school had zes klassen. Daarna ging je door naar de volgende klassen; dat was de mulo A‑afdeling. Ik had toen al een instelling die misschien een beetje merkwaardig was. Ik dacht: Jantje, als je toch op school zit, besteed die tijd dan om te leren. Die tijd ben je immers toch kwijt.
Ik heb nooit gespijbeld. Op school lette ik bijzonder goed op en daardoor ging het huiswerk eenvoudig. Dat heb ik later ook zo gehouden. Als ik klaar was, fietste ik naar Beekhuizen, naar het bos. Daar ging ik op mijn rug liggen, met de vogeltjes om mij heen. Daarna ging ik weer naar huis.
Mijn moeder hield mij altijd voor: wat je in je hersens hebt, kunnen ze je nooit afnemen. Geld kunnen ze je afnemen, maar wat je geleerd hebt niet. Dat ben ik nooit vergeten. Ik heb echt mijn best gedaan om zoveel mogelijk op te nemen.
Op de mulo had ik een leraar, meneer Friederici, voor onder meer natuurkunde en wiskunde. Dat was mijn favoriete leraar. Voor zo iemand doe je misschien ook nog wat extra je best. Hij had door dat ik wilde leren en sprak daarover met mijn moeder.
‘Dit is weliswaar een mulo A‑school,’ zei hij, ‘maar ik vind dat Jan mulo B moet halen.’ Hij gaf mij daarvoor op zaterdagmiddag extra les. Op zaterdagochtend zat je gewoon op school; die middaglessen kreeg ik apart. Voor zover ik weet, was ik op die school de enige die dat op die manier deed. Ik ben geslaagd met een tien voor wiskunde.
Ik heb die man en zijn vrouw altijd hoog gehad. Later hebben zij een Joodse onderscheiding gekregen voor het beschermen van onderduikers. Wij zijn nog eens bij hem geweest toen hij aan zijn laatste dagen bezig was.
Voordat ik van de mulo afging, sprak hij weer met mijn moeder. Hij zorgde ervoor dat ik naar de hbs B in Arnhem kon. Dat was een kilometer of vijf fietsen, door weer en wind. Als je ’s winters met een natte kop van huis ging, kwam je met bevroren haar aan. Dan vonden anderen het leuk om daar een klap op te geven: niet alleen het ijs, maar ook je haar brak af. Dat was een kappersmethode die niet werd geapprecieerd.
Ik deed toelatingsexamen en mocht meteen naar de vierde klas. De hbs had vijf klassen, dus ik heb daar de vierde en de vijfde doorlopen. In 1936 deed ik eindexamen, weer met een tien voor wiskunde.
Voor geschiedenis zat ik te knijpen. Dat lag mij helemaal niet. Vlak voor mijn mondeling sloeg ik het geschiedenisboek nog eens open en dacht: laat ik daar maar naar kijken. Die geschiedenisleraar was een kalme, aardige man. Ik denk dat hij mij tijdens het examen een beetje heeft geholpen door uit te zoeken waar ik nog wél iets van wist. Ik geloof dat ik zelfs daarvoor een voldoende heb gehaald. De cijferlijsten heb ik bewaard.
Ik was intussen ook aan het fotograferen geraakt. Mijn eerste toestel was zo’n vierkant Kodakboxje. Daarmee ging ik naar een vliegdemonstratie in Deelen, want ik wilde toen vlieger worden. Ik mikte met dat boxje op een vliegtuig en drukte af. Maar toen de foto’s terugkwamen, stond er alleen een heel klein pikkeltje in de lucht. Dat benul had ik nog niet. Zo ben ik begonnen. Later heb ik allerlei camera’s gehad en weer ingeruild. Dat zat er toen al in.
Een weg uit het dorp
Ik had al lang bedacht dat ik weg wilde uit die dorpsgemeenschap. Je moest gaan werken, of je moest een rijke vader hebben om te kunnen studeren, bijvoorbeeld in Delft. Mijn moeder steunde mij in mijn plannen. Mijn vader stond er nogal onverschillig tegenover.
Ik heb van alles geprobeerd: de KMA, het marine‑instituut, beurzen om naar Delft te kunnen. Ik heb ook een familiefonds aangeschreven, de Repelaerbeurs, zoals ik mij de naam herinner. Dat fonds zat geloof ik in Dordrecht en had grote landerijen.
Volgens het familieverhaal was dat fonds ontstaan doordat een jonkvrouw Repelaer uit een verarmde tak was getrouwd met een Grollé die als rijke planter uit de Oost was teruggekomen. Voor die tijd was hij stinkend rijk. Er was een beurs gesticht om nakomelingen te helpen. Bij de notaris werd die ook wel de Grollébeurs genoemd. Daar had ik oude papieren van.
Om mijn afstamming te bewijzen liet ik gegevens uit kerkregisters opzoeken. Toen daarvoor een rekening kwam, was mijn vader niet blij. Maar geld om te studeren heb ik er niet uit gekregen.
Intussen kreeg ik een oproep voor een officiersopleiding bij de luchtdoelartillerie. Die kwam toen pas van de grond, met een mitrailleurtje en verder nog niet veel. Daar keken zij naar je wiskunde, en dat zal de reden zijn geweest dat ik daarvoor in aanmerking kwam. Bij de KMA kon ik naar de KNIL‑afdeling. Maar ik had mij ook aangemeld voor de adelborstenopleiding.
Voor de medische keuring moest ik naar Den Haag. Daar werd ik afgekeurd. Ik vroeg waarom.
‘Wij zijn bang dat uw hart onder tropische omstandigheden problemen gaat geven.’
Op de hbs in Arnhem was toen net een medische sportkeuring ingesteld, voor sportoefeningen en dat soort dingen. Ik zei dat ik daarbij was goedgekeurd. Hoe klopte dat dan? Of ik dat papier bij mij had, vroegen zij. Nee, dat had ik niet. Ik heb toen om een herkeuring gevraagd.
De namen van de aangenomen kandidaten verschenen in de krant. Bij het eerste bericht stond ik er niet bij.
Die herkeuring in Diligentia in Den Haag vergeet ik nooit. Ik logeerde bij tante Schulting, die bij Pulchri Studio de bazin was. Die familie kende mijn vader nog uit zijn marechausseetijd. Haar zoon was gezagvoerder bij de Maatschappij Nederland en had op de Oranje gevaren.
Bij de herkeuring vroegen zij alleen: ‘Heeft u dat papier?’ Ik gaf het af. Er is verder geen stethoscoop op mijn borst gekomen, niets. Ik kon zo weer weg. Klaarblijkelijk was ik nu goedgekeurd.
Er was ook een gesprek voor een commissie van een man of zeven, met een admiraal als voorzitter. Zij vroegen van alles. Ik kwam uit het midden van het land: wist ik eigenlijk wel hoe de rangen bij de marine heetten? Jawel, die had ik opgezocht en geleerd. Ik kon ze opnoemen.
Toen vroegen zij wat een torpedo was. Ik legde uit dat het een lading met een schroef was, die je naar een schip afschoot en die daar plof zei, als hij tenminste raakte.
‘En hoe denkt u dat zo’n torpedo wordt aangedreven?’
‘Elektrisch,’ zei ik. ‘Het is onder water.’
‘O, elektrisch.’ Zij keken elkaar aan. ‘Zover zijn wij nog niet.’
Toen ik wegging, meen ik dat de commandant van het instituut, overste Van Asbeck, nog zei: ‘Die vent wil ik hebben.’ Maar misschien heb ik mij dat ook een beetje verbeeld.
Er verscheen een tweede bericht in de krant. Enkele kandidaten hadden zich teruggetrokken en er kwamen anderen voor in de plaats. Daar stond Jantje Grollé bij. Zo hoorde ik dat ik was aangenomen.
Ik was zo blij dat ik meteen naar mijn speelkameraad Wim Prins rende. Bij hen op de hoek was een ijsfabriek. Ik kwam zijn moeder tegen en moest het nieuws kwijt. Zij was van Duitse afkomst en reageerde heel koel: nou, dat was dan mooi. En Jantje weer weg. Maar ik had mijn blijdschap tenminste even als een explosie kunnen uiten.
Of de marine toen al mijn grote droom was? Niet precies. Dat is meer door de omgeving daarna gegroeid. Ik had wel allerlei dingen over de marine verzameld, maar in de eerste plaats wilde ik verder komen.
Adelborst in Den Helder
Op 3 september 1936 moest ik naar het instituut in Den Helder. Daar ging Jantje, in zijn kloffie, met zijn koffertje. Mijn moeder en tante Ries brachten mij.
Bij de keuring had een kleermaker mijn maten al genomen. Er lag een uniform voor mij klaar, en verdomd, dat zat goed. Het paste ook nog. Witte handschoenen aan, een ponjaard erbij. Er zijn foto’s van die installatie, met een pet die niet helemaal goed zit. Je liep er een beetje met twee linkerhanden. Maar door dat uniform waren wij wel meteen allemaal gelijk.
Ik sprak nogal Gelders. Dat was natuurlijk niet bepaald de taal van de zeevaart.
Ik kreeg een zeevader toegewezen. Aan hem heb ik als zeevader weinig gehad. Later is hij uit de dienst gegaan en, meen ik, veeboer in Australië geworden.
Toen mijn moeder en tante weg waren, waren wij aan de oudstejaars overgeleverd. In het eerste jaar had je de gewone matrozenrang, in het tweede werd je korporaal en in het derde sergeant. Daarna werd je officier, als je het haalde.
Bij de ontgroening leerde je de oudstejaars gauw kennen. Er zaten fijne kerels bij en er zaten klootzakken bij. Dat bleek vrij snel. Met een luciferhoutje de oppervlakte van een zaaltje nameten: daar zag ik het nut niet van in. Of kijken hoeveel man je onder een biljart kon trappen. Maar je moest allerlei rotklusjes doen. Dan deed je die maar, en misschien saboteerde je de boel ook wel een beetje.
Je moest bovendien in een hangmat slapen. Als je nog niet wist hoe je daarin moest klimmen, sodemieterde je er aan de andere kant weer uit. Ik heb in die eerste tijd weleens gedacht: ik kruip op mijn blote knietjes terug naar huis, van Den Helder naar Velp.
Het ergste was de manier waarop sommige oudstejaars optraden. Die behandelden je als vuil. De indruk die je toen van iemand kreeg, bleef ook later, als officier, aan hem kleven. En vaak kwam die indruk nog uit ook.
Na die eerste weken moest ons jaar een eigen hoek in het zaaltje veroveren. Dat was knokken geblazen. Daar heb ik ook foto’s van.
Niet iedereen had dezelfde positie. Sommigen kenden al oudere adelborsten van vroeger, en dat maakte verschil. Ik kwam daar voor het eerst ook baronnen en jonkheren tegen. Maar daar zaten juist heel aardige kerels tussen. Mackay bijvoorbeeld, een oudstejaars, vond ik een verdomd aardige vent. Die was bij de ontgroening redelijk.
A.C. Vermeulen, die ook van de hbs in Arnhem kwam, werd tegelijk met mij adelborst bij de technische dienst. Wij zaten in dezelfde klas en hij is een van mijn beste vrienden geworden. Met verlof reisden wij samen in de trein tussen Den Helder en Arnhem. Wij konden goed met elkaar opschieten.
Ons jaar telde alles bij elkaar, met de mariniers erbij, drieënvijftig man. Ik heb op het instituut weer het principe van mijn moeder toegepast: opnemen wat je kunt leren.
Bij het eerste rapport, met Kerstmis, stond ik derde. Voor mij stonden Janssen en Fincken. De nummer één kreeg een kroontje op zijn mouw. Op de andere mouw kon je brevetten krijgen, bijvoorbeeld voor schermen. Ik heb nog vrij aardig met de sabel kunnen schermen. Niet met een degen of een floret, hoor. Vooral die floret vond ik dameswerk: dat was veel lichter en kleiner.
Als een leraar vond dat je kennis tekortkwam, kon hij je in een strafklas zetten. Dan mocht je ’s avonds niet passagieren, of in het weekeinde niet weg.
Aanvankelijk moest je ’s avonds verplicht studeren. Als de anderen naar kooi gingen, zat je nog in je pyjama met je jasje erover te leren. ‘Naklooien’ noemden wij dat. Er waren ook jongens die vroeger werden gepord om al te studeren voordat de tamboer de anderen wekte.
Vanaf dat eerste kerstrapport waren mijn cijfers goed genoeg om vrij te zijn van verplichte studie. Dat heb ik vrijwel de hele opleiding gehouden. Alleen bij mijn laatste rapport kreeg ik een onvoldoende en moest ik alsnog naar de studieklas. Dat leren op die manier lag mij niet.
Ik eindigde uiteindelijk als nummer zeven van mijn jaar. Misschien had ik niet de uiterste inspanning geleverd. Wat ik toen niet wist, was dat die eindvolgorde ook je plaats op de promotielijst bepaalde.
Al met al heb ik daar toch een goede tijd gehad. Mijn aanloopadres was bij de familie De Klerk. Hij was hoofdingenieur van de Rijkswerf en woonde naast het instituut, in het gebouw dat het Paleis werd genoemd. Zijn woning was het dichtst bij het instituut. Daarnaast woonde de commandant van het instituut; in het midden zat de staf, en verderop woonden de admiraal en de directeur van de Rijkswerf. Via mijn zeevader, die er ook thuis was, was ik bij de familie De Klerk terechtgekomen.
Die familie was hartstikke aardig. En het was handig: als ik om elf uur binnen moest zijn, kon ik om tien voor elf mijn cape of winterjas aantrekken en was ik zo thuis. Als het regende, werd ik nauwelijks nat. Andere jongens moesten een heel eind uit de stad komen lopen, maar ik wipte er zo in en uit.
Oefenreizen en feesten
Het leukste van die drie jaar waren de bootjesreizen. Aan het einde van het eerste jaar ging de technische dienst mee op de oude Van Meerlant, een kolengestookte mijnenlegger. Zo’n reis duurde een week of drie en ging onder meer naar Engeland. Dat was, denk ik, de eerste keer dat ik daar kwam. Je moest er laten zien wat je kon. Daarna werd je tweedejaars en korporaal.
Mijn jaargenoot Keesje Planten was altijd zeeziek. Hij stond bij zo’n kolengestookte ketel met zijn kolenschep, kotste daarop en schoof de hele zaak het vuur in. Dan was hij dat ook weer kwijt. Zo maakte je van alles mee, leuke en minder leuke dingen. Maar het hoorde erbij.
In het tweede jaar kregen wij geen bootjesreis. Wij liepen de Vierdaagse. Met Kerstmis begonnen wij al met oefenen, eerst korte afstanden en daarna steeds verder.
In het derde jaar maakten wij een reis met de Sumatra, onder meer rond Schotland. Wij zijn in Edinburgh aan de wal geweest. Ook gingen wij met een sloep naar Staffa, een onbewoond eiland met een grote grot. Daar liep een soort pad met een staalkabel erlangs. Het verhaal was dat het geluid van de golven in die grot een componist tot een muziekstuk had geïnspireerd. De naam van dat stuk kon ik mij later niet meer herinneren.
Tijdens die reis was er een oefening met een onderzeeboot. Wij waren het doelschip. Waar die boot precies zat, wisten wij natuurlijk niet. Hij kwam te dichtbij en wij hebben hem aangevaren. Ik meen dat het de O 11 was. Hij kwam boven met schade, ook van de schroef; dat mijnentuig hing er scheef bij. Ik heb door een patrijspoort een foto gemaakt, met nog wat lui aan dek. Die foto zit in mijn album.
Rond Kerstmis was er op het instituut een groot feest, het Assaut. Daarvoor verbouwden de adelborsten het hele instituut. De oudstejaars hadden de leiding; de anderen legden elektriciteit aan en bouwden van alles om. Ook daar zijn foto’s van.
Je moest voor de opening de quadrille des lanciers leren dansen, keurig in uniform met witte handschoenen. Wij kregen dansles van meneer Polak, een Joodse dansleraar. Meisjes waren er niet bij, dus je danste met elkaar. Wie een zakdoek om zijn arm had, was het meisje. Aan die lessen heb ik mij zoveel mogelijk onttrokken, maar die openingsdans moest je kennen.
Voor het feest had je een invité nodig, een ‘fee’, zoals wij dat noemden. De feeën kwamen met een bepaalde trein aan en werden allemaal afgehaald. Je moest je fee vervolgens bij een aanloopadres zien onder te brengen.
In mijn eerste jaar vroeg iemand van de senaat of ik al een fee had. Ik zou niet eens geweten hebben wie ik moest vragen.
‘Dan heb je er nu een.’
De garnizoenscommandant, een kapitein van de landmacht, had een dochter die uitgenodigd moest worden. Die werd mij toegewezen, zo’n beetje aan mij uitgehuwelijkt, zoals ik dat noemde. Met haar moest ik dineren en de quadrille dansen. Verder hadden wij niets met elkaar, zij evenmin met mij. Maar ik heb mij wel geamuseerd; er liepen ook andere meisjes rond die weleens wat anders wilden dan de adelborst aan wie zij gekoppeld waren.
Die eerste fee is zelf ook bij de krijgsmacht terechtgekomen en vrijgezel gebleven. Later kreeg ik haar gegevens weer, met telefoonnummer en alles. Op haar kaartje stond luitenant‑kolonel buiten dienst bij de Koninklijke Luchtmacht.
Soms kwam uit zo’n koppeling wel een huwelijk voort. Loekie Visman, de dochter van de directeur van de Rijkswerf, werd bijvoorbeeld aan de marinier Lems gekoppeld. Die zijn later getrouwd.
In het tweede jaar zat mijn jaargenoot Henkie Bosma met een kennis die ook uitgenodigd moest worden. Hij wist best dat ik nog niemand had.
‘Jan, heb jij al een fee? Ik ken een heel aardig meisje en ik zou het op prijs stellen als jij haar wilde inviteren.’
Ik kende haar niet en had ook geen foto gezien. Ik ging eerst bij haar familie in Haarlem kennismaken en bleef er een nacht logeren. Het waren heel aardige mensen. Zij studeerde en wilde dirigente worden. Zij was geen schoonheid, maar zij had wel een vriendje, dat mij wat vreemd aankeek. Ik heb hem maar gerustgesteld: van deze nieuwkomer had hij niets te vrezen.
Tijdens het feest was zij bij de familie De Klerk ondergebracht. Dat was voor mij weer gemakkelijk; ik had geen taxikosten. Maar er werd ook weleens wat geruild en ik heb mij nogal beziggehouden met een ander meisje uit Den Haag. Daarmee had ik het een stuk leuker.
Een van de onderdelen van het feest was een tocht achter een tamboer aan. Je ging aan de ene kant van het instituut de trap op, over alle zolders, langs het cachot, en aan de andere kant weer naar beneden. Tegen de tijd dat de tamboer daar aankwam, was iedereen ergens op die zolders blijven hangen, laat ik het zo zeggen. Dat heb ik leuk gevonden. Ik liep niet met mijn eigen fee, maar met een andere.
In mijn derde jaar wilde ik een meisje uitnodigen dat ik op het vorige feest had leren kennen. Zij woonde in Bilthoven. Terwijl ik daar nog over piekerde, kreeg ik een brief van haar. Johnny van den Berg had haar alweer uitgenodigd, schreef zij, maar als ik van plan was haar te vragen, moest ik dat nu laten weten. Dan zou zij hem afschrijven.
De post werd ’s morgens door de adelborst van dienst uitgedeeld. Die riep de namen en gooide de brieven naar achteren, waar ze werden opgevangen en doorgegeven. Eerst kreeg Van den Berg een brief van haar. ‘Van mijn invité,’ zei hij. Vlak daarop werd mijn naam geroepen: ‘Grollé!’ Ik had ook een brief van haar. Hij was kwaad: zij had hem net afgeschreven omdat ik haar had uitgenodigd. Hij was een jaar jonger: hij was korporaal‑adelborst en ik sergeant. Dus hij moest wel een beetje op zijn tellen passen. Bovendien was zij degene die mij geschreven had. Ik heb met haar een lollig feest gehad.
Toen ik later naar de Oost zou vertrekken, liet ik haar dat weten. Zij wilde naar Velp komen om afscheid te nemen, maar dat heb ik afgehouden. Ik ging voor jaren weg. Wat moest je dan? Zo zat ik niet in elkaar. In kussen was ik toen trouwens nog helemaal niet bedreven. Dat heb ik pas op de uitreis, een beetje tot mijn schrik, geleerd. Of ik daar meisjes vond die wilden kussen? Ja, of zij vonden mij.
De dreiging van oorlog
Toen ik in 1936 adelborst werd, rekende ik er al op dat er geknokt zou worden. Duitsland was agressief; dat zag je aan alle kanten. De toon, het optreden, de vliegtuigen die zij in grote aantallen bouwden: dat waren geen sportvliegtuigjes meer, dat waren gevechtsvliegtuigen. Als techniek vond ik dat machtig interessant, maar je wist ook dat het rotzooi kon worden.
Een Duits opleidingszeilschip, de Gorch Fock, kwam in die jaren naar Den Helder. Ik heb daar een mooie foto van gemaakt. Het was een prachtig schip, maar de sfeer was al heel krijgszuchtig: wij komen, wij dit, wij zus, wij zo. Zij staken het niet onder stoelen of banken.
Tegelijk was er in Nederland, ook binnen onze omgeving, behoorlijk wat bewondering voor Duitsland. Dat moet men achteraf niet ontkennen. In 1936 maakte ik mee dat een oudstejaars een jongere het Horst‑Wessellied uit zijn hoofd liet leren. Zeven coupletten, geloof ik. Ik weet nog wie het was, maar ik ga geen namen noemen.
Zelf had ik weinig politieke kennis. Wat wist ik er eigenlijk van? Ik zag een goed georganiseerde boel. Van wat er met de Joden gebeurde, wist ik toen naar mijn eigen herinnering weinig. Dat zij die vuiligheid met de Joden erbij hebben gehaald, is een grote fout geweest. Ik had geen uitgesproken politieke voorkeur voor Engeland of Duitsland.
Het algemene idee was nog dat wij, net als in de Eerste Wereldoorlog, neutraal zouden blijven. Mobilisatie was mobilisatie: wie er ook kwam, die moesten wij tegenhouden. Hier in Nederland had je het gebroken geweertje, terwijl Duitsland liet zien dat het van alles had wat wij niet hadden. Maar ik dacht dat er, voordat zij bij ons waren, van alles zou gebeuren om hen tegen te houden. Dat zou maanden duren, misschien langer. Dat het zo snel afgelopen zou zijn, had ik niet verwacht.
In mijn oudste jaar, omstreeks 1938, zei ik tegen de jongstejaars dat zij er klaar voor moesten zijn, ook voor de mogelijkheid dat zij het loodje zouden leggen. Dat heb ik nogal benadrukt. Sommige jaargenoten namen mij dat kwalijk; zij vonden dat ik het te veel deed. Maar voor mij hoorde het bij je plicht. Je moest erop rekenen.
Officier bij de Onderzeedienst
In augustus 1939 werd ik officier. Toen kwam de mobilisatie. Ik moest mij melden bij de marinekazerne in Amsterdam. Daar sliep ik een paar nachten, totdat ik met mijn bultzak naar mijn werkelijke bestemming kon: Den Helder.
Op 29 augustus werd ik bij de Onderzeedienst geplaatst. Dat verbaasde mij. Ik was een jong officier met één streep; normaal kwam je daar pas als je minstens tweede klasse was.
Mijn beëdiging moest nog plaatsvinden. Door de omstandigheden werd dat heel eenvoudig gedaan. Geen steek op, groot tenue en epauletten, maar gewoon in je jasje. Ik had een compleet groot tenue, met steek, sabel en alles erbij, dat ik nooit heb gedragen. Die steek mochten mijn kinderen later op mijn kist leggen.
Als jongste kreeg ik allerlei baantjes. Ik moest het ochtendbaksgewijs commanderen: iedereen in het gelid laten staan voor de inspectie. En ’s nachts moest ik naar buiten om te kijken of de onderzeeboten er nog lagen. Natuurlijk lagen zij er nog, maar er kon een tros losraken, en je keek ook of de wacht niet lag te snurken. In de regen was dat geen lolletje.
Na mijn beëdiging organiseerden de officieren van de staf een etentje, met de vrouwen erbij. Dat vond ik sympathiek, al was ik waarschijnlijk vooral het excuus om weer eens samen te eten. Een officier, Stufken, de chef van het duikbedrijf, zei tegen mij: ‘Als ik groot tenue moet aantrekken, ga jij het bad in.’
Bij de ingang waren twee badkamers, links en rechts. Als de collega’s iemand wilden corrigeren, gooiden zij hem in zo’n bad. Dat hoefde bij mij gelukkig niet.
Ik werd op de O 13 geplaatst, die voor reparatie op de Rijkswerf lag. Daar moest ik het bedrijf leren kennen. Zo’n onderzeebootmotor was een ingewikkeld ding; ik had er mijn handen vol aan. Met de O 13 heb ik nooit gevaren. Ik werd er alweer afgehaald.
Er werden twee onderzeeboten klaargemaakt om naar de West te gaan. Een daarvan zou daar blijven; de O 20 zou via de Pacific naar Indië doorvaren. Ik had al een passagebiljet gekregen van de Maatschappij Nederland, nog voordat de officiële overplaatsing was doorgekomen. Ik ging naar mijn chef met die envelop. Die wist van niets. Pas een dag of veertien later kreeg ik zelf ook de officiële opdracht om naar de Oost te vertrekken.
Ik wilde graag met de O 20 mee en ben daarvoor aan de bel gaan trekken. Maar de chef‑machinist, meneer Looijen, zei dat hij geen ballast aan boord nodig had. Bij een onderzeeboot moest je al op ieder gewichtje letten. Dat ging dus niet door. Mijn reis per passagiersschip was geregeld.
De uitreis in 1939
Voor ik vertrok, ging ik nog naar Velp om afscheid te nemen. Dat was diepe droefenis. Ik ging voor jaren weg, onder oorlogsomstandigheden. Zelf vond ik dat ook niet lollig.
Voor mijn uitrusting had ik driehonderd gulden gekregen. Daarvan gaf ik honderd gulden aan mijn moeder. Met de rest moest ik zuinig zijn, want op de uitreis kwamen er ook nog kosten.
De uitzending was voor een verblijf van drie jaar in Nederlands‑Indië. Zelf rekende ik als vrijgezel eigenlijk op twee jaar; dat was volgens mij de gewone duur. Maar van die voorgenomen termijn is niets terechtgekomen. Bij de reis stond 18 oktober 1939 genoteerd. Ik vertrok uit Amsterdam met de Johan de Witt naar Lissabon. Mijn verjaardag heb ik op die reis op zee meegemaakt.
Bij Dover werden wij door een Engelse torpedobootjager aangehouden. Er werd gecontroleerd op contrabande. Die hadden wij niet, en wij mochten doorvaren. Er zaten ook Duitsers aan boord. Tot die controle waren zij kalm en onzichtbaar gebleven. Toen wij eenmaal verder van Engeland af waren, kregen zij een grote mond: wij dit en wij dat. Zelf heb ik niet met hen gesproken.
In Lissabon lag de Marnix van Sint Aldegonde. Die wilden zij niet door het Kanaal naar Nederland laten varen, dat vonden zij te riskant. Daarom brachten kleinere, oudere schepen om de beurt passagiers naar Lissabon, waar wij op de Marnix overstapten. De lading van twee van die kleinere schepen was samen één lading voor de Marnix. Wij waren met de Johan de Witt de laatsten; twee of drie dagen na onze aankomst zou de Marnix vertrekken.
Wij reisden met vijf jonge officieren: André Willemsen, Harry Schramm, Ab Jansen, Wamelink en ik. Wamelink was oorspronkelijk een jaar ouder, maar hij was voor zijn officiersexamen gezakt en zo bij ons jaar terechtgekomen.
In Lissabon hadden wij een paar dagen. Met Willemsen ben ik naar Estoril geweest, naar zo’n gokpaleis. Geld om te gokken had ik niet, dus dat was eenvoudig.
Met de Marnix gingen wij verder om de Kaap, langs Kaapstad en Colombo, en vervolgens naar Indië. Van aan wal gaan in Kaapstad herinner ik mij niets. Colombo was vooral aankomen, tanken en weer doorvaren. Ook Singapore en Batavia hoorden bij die reis. Ik herinner me bovendien dat wij in Sabang aan de wal konden. Daar kocht ik voor vijf gulden een mooie zwarte reiskoffer, in die vrijhaven.
Op de Marnix zaten natuurlijk ook burgers. Daar heb ik een aardig meisje leren kennen. Zij was wel erg op mij gesteld. Haar vader, die in Bandoeng woonde, voer mee. Later nodigde hij mij in Soerabaja uit om in het Oranje Hotel met hem te eten.
Hij vroeg wat mijn plannen met zijn dochter waren. Ik had geen plannen. Het gezin was streng katholiek. Als ik vooraf beloofde katholiek te worden, mocht ik de correspondentie voortzetten. Anders verbood hij het contact.
Dat wilde ik niet. Ik ging mijn ziel en zaligheid niet zomaar verkopen. Hij heeft het contact inderdaad verboden en ik heb niets meer van haar gehoord.
In Batavia liep de Marnix vrijwel leeg. Wij moesten ons eerst netjes melden bij schout‑bij‑nacht Helfrich, in wit tenue en met sabel. Daar hoorden wij ook waar wij geplaatst werden. André ging, meen ik, naar de Prins van Oranje. Ik ging naar de Soemba. André en ik moesten nog door naar Soerabaja, op dat praktisch lege schip. Dat was een rotgevoel.
Van de vijf met wie ik die uitreis maakte, zijn Harry Schramm en Wamelink op de Java gesneuveld en Ab Jansen op de De Ruyter. André Willemsen is later overleden. Toen ik deze herinneringen ophaalde, was ik van die vijf nog als enige in leven.
Aan boord van de Soemba
Mijn plaatsing op de Soemba ging in op 1 december 1939. Het was voor mijn leeftijd en anciënniteit een flinke plaats. Ik werd meteen de oudste ondergeschikte van het hoofd van de machinekamer. Als mijn baas uitviel, zou ik het moeten overnemen.
Ik herinner me dat ik op een zondag aan boord kwam. Een vroegere oudstejaars, E.B.H. Nieuwenhuizen, had de wacht. Hij was een stoere vent. Achteraf vond ik hem aardig, aardiger dan in de ontgroeningstijd. ‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij toen ik aan boord stapte.
Wij zouden de volgende dag uitvaren, maar mijn koffer en mijn kist stonden nog op de Marnix. Met een motorsloep, een korporaal en een machinist ging ik die ophalen. Ik klom weer op de Marnix en moest bij de purser zien dat ik mijn spullen kreeg. Mijn koffer en kist werden met de scheepskraan buitenboord gedraaid en naar beneden gelaten. Beneden moesten wij als een haas manoeuvreren om met de sloep onder die last te blijven. Anders kwamen mijn spullen in het water. Van bovenaf kon je ook niet precies zien waar die sloep lag. Het is allemaal goed gegaan.
Ik loste een oudere adelborst af die naar de Onderzeedienst ging en later op de O 20 terechtkwam. Die boot is in de oorlog verloren gegaan.
Met de Soemba maakten wij reizen van een maand of drie, vier naar de Riouwarchipel. Van het ene eilandje gingen wij naar het andere. Wij maakten onze opwachting bij de resident en keken of daar nog iets nodig was. Ook maakten wij jacht op Japanse vissersschepen. Die zaten daar toen al rond te kijken.
Olie laadden wij in Poelau Samboe, tegenover Singapore. Dat was ook een vrijhaven. Je kon er voor een gulden een echte ouderwetse Ever Ready‑zaklantaarn met drie batterijen kopen. Ik heb er ook een wekker gekocht.
Via Willemsen kreeg ik later in Soerabaja aanloopadressen. In Poelau Samboe kocht je dan een paar flessen Coty, met een groene dop. Daarmee kon je de mensen in Soerabaja een groot plezier doen.
Indië was in het begin een heel vreemde ervaring. Zoveel oerwoud, ‘boerenkool’ noemden wij dat. Alles was anders. Bij aankomst vond ik het zelfs verschrikkelijk, juist doordat het zo anders was. Dat was vooral dat eerste gevoel; de mentaliteit daar vond ik goed. En ik voer veel, dus ik spaarde ook.
Tijdens een bezoek aan Pontianak werden wij op de sociëteit door de resident ontvangen. Er was muziek en er werd gedanst. Op een gegeven moment kwam er een vrouw naar mij toe: ‘Ik wil met jou dansen.’ Het was Riet, van de boekhandel in Velp. Wij hadden samen op school gezeten.
Zij was met een assistent‑resident getrouwd, een man die een stuk ouder was dan zij. Wij hadden veel lol samen. Maar naderhand kreeg ik van de eerste officier een opsodemieter. Hij had tweeënhalve streep, ik maar één. Wat verbeeldde ik mij wel om tussen hogere officieren te gaan zitten en met de vrouw van de assistent‑resident te dansen? Ik had met mijn ene streep maar in de schaduw te blijven. Zulke dingen maakte je ook mee.
Mijn rechtstreekse baas dronk te veel; daar stond hij om bekend. In Pontianak is hij eens, met een sigaar in zijn mond, buitenboord gevallen. Er waren daar ook krokodillen, maar die hebben hem niet te pakken gekregen. Hij is weer aan de wal geholpen, gooide zijn sigaar weg en stapte, nat en wel, weer aan boord. Later ontkende hij altijd dat het gebeurd was. Misschien wist hij het zelf niet meer.
Mijn baas liet mij veel van het werk in de machinekamer doen. Dat vond ik niet erg, want tegen die tijd had ik dat wel door. Met mijn baas heb ik ook conflicten gehad. Een keer moest er olie worden geladen. Er was een officier aan boord die in de problemen zat en voor wie ik even iets kon doen. Hij had een Studebaker, waarmee ik naar Soerabaja kon gaan.
De oudste machinist zei dat ik gerust even weg kon: hij zou het olieladen doen. In de praktijk deed hij dat toch al. Maar juist toen kwam mijn baas, Kosterus, aan boord kijken. Of iemand hem gewaarschuwd had, weet ik niet. Ik was van mijn post weggegaan en kreeg straf.
Die officier die ik had willen helpen, heeft later in Liverpool een einde aan zijn leven gemaakt.
De oorlog bereikt Nederland en Indië
Op 10 mei 1940 lagen wij met de Soemba bij Poelau Samboe. Over de radio hoorden wij dat Nederland was binnengevallen. Wij wilden met die boot meteen naar Holland. Maar dat ging natuurlijk niet. Een paar dagen later was het al bekeken. Toen konden wij huilen en ons afvragen: wat nu?
Van thuis hoorden wij vrijwel niets. Er was geen gewone communicatie meer. Ik heb drie of vier keer geprobeerd een Rode Kruisbrief te sturen, uit de Oost en later ook uit Engeland. Dat kon je niet telkens doen. Ik geloof dat er één in Velp is aangekomen. Die brieven heb ik niet teruggekregen.
In Indië ging het leven aanvankelijk grotendeels door. Er was nog geen verduistering en er gebeurden ook leuke dingen. Maar Japan was al langs de Chinese kust bezig. Je kon begrijpen dat het ook onze kant op kon komen.
De Japanners werden wel in de gaten gehouden. Er waren kappers aan de wal die later kolonel in het Japanse leger bleken te zijn. Er werd volgens mij wel op gelet, maar aanvankelijk weinig tegen gedaan. Er werden oefeningen gehouden en al vóór de oorlog met Japan waren er Nederlandse onderzeeboten en vliegtuigen bij de Engelsen in Singapore gestationeerd. Voor zover ik wist, was dat nog niet officieel.
Met de oorlog in Nederland werden Duitse schepen in beslag genomen, de bemanningen eraf gehaald en de schepen onder Nederlandse namen verder gebruikt. De Japanse vissers verdwenen later ook. Toen de oorlog met Japan kwam, was het duidelijk: wij werden aangevallen.
Onderzeeboten en omwegen tijdens de oorlog
In de oorlog heb ik ook op onderzeeboten gediend. Ik voer op de O 24 met Piet de Jong en heb ook onder Van Boetzelaer gediend. Mijn terugtocht uit Indië ging door Straat Soenda. Ik kwam in Colombo en Bombay terecht.
In Bombay ontmoette ik bij de Gateway of India een waarzegger. Die voorspelde dat ik twee weken na mijn vertrek alweer terug zou zijn. Ik geloofde hem niet.
Toch kwam ik onverwacht weer in Bombay terug. In de Perzische Golf was ik naar een ander Nederlands marineschip overgeplaatst omdat iemand ziek was geworden. Zo was ik twee weken na mijn vertrek alweer in Bombay.
Ik kwam ook in Schotland terecht.
Over wat Gerrit intussen in Nederland deed, heb ik nooit alles geweten. Hij zat in de oorlog bij de parketpolitie. Met Frits Hendricks en nog een derde man heeft hij, in de Volkswagen van hun chef, een overval uitgevoerd waarbij bonnen werden buitgemaakt. Die derde jongen is gepakt. Hij heeft zijn twee kameraden niet verraden en is gefusilleerd. Gerrit had een foto van hem.
In die jaren is ook de winkel van mijn ouders failliet gegaan. Toen ik uiteindelijk terugkwam, bestond die niet meer.
Mary en de terugkeer naar Nederland
Na de Japanse capitulatie kwam ik met de K XIV in Batavia terug. Volgens mij waren wij de eerste Nederlandse onderzeeboot die daar na de capitulatie terugkwam. De navigatieofficier was Brinkman. Zijn zuster was Mary; zo heb ik haar leren kennen. Mijn latere schoonfamilie kwam net uit de kampen. Mary had erg dikke benen door beriberi.
Haar familie had al langer in de Oost geleefd. Haar vader werkte in verzekeringen, bij Blom en Van der Aa, en was veel in China geweest. Thuis had haar vader niet veel te vertellen. Haar moeder had ook in een kamp gezeten; van haar vader meen ik dat eveneens. Zij hadden de oorlog overleefd, maar waren volgens wat ik hoorde al vóór de oorlog min of meer vreemden voor elkaar geworden. Haar moeder is voor mij ook een dwarsligger geweest, maar zij heeft mij er niet onder gekregen.
In 1946 ben ik met Mary getrouwd. Mijn trouwfoto’s zijn in Australië gemaakt. Over het huwelijk is er weer contact met thuis geweest. Ik kreeg een brief van Gerrit: ik had daarvoor toestemming aan mijn ouders moeten vragen, vond hij. Ik schreef terug dat zijn kennis van de regels voor een huwelijk in het buitenland te wensen overliet.
In 1947 kwam ik met Mary en onze zoon Piet naar Nederland terug. Hoe die eerste ontmoeting met mijn ouders precies is verlopen, kan ik mij niet meer herinneren. Misschien heb ik dat weggedrukt. Ik weet het eerlijk gezegd niet meer.
Wij trokken eerst bij mijn ouders in. Daar wilde Mary zo gauw mogelijk weer vandaan. Zij hebben nooit erg goed met elkaar kunnen opschieten. Gelukkig had ik voldoende kennissen in Den Helder om daar vrij snel een nieuwbouwwoning aan de Billitonstraat te krijgen. Ik was een van de eersten. Toen waren wij weer weg.
Gerrit was bij mijn terugkeer als burger werkzaam bij de gemeentepolitie van Rheden. Hij is daar referendaris geworden.
Van de spullen die ik vóór mijn vertrek had achtergelaten, hadden mijn ouders een deel bewaard: foto’s, albums en papieren. Anders had ik die niet meer gehad. Maar er was ook veel verdwenen. Naast hun huis was een V 1 terechtgekomen en er was heel wat kapot.
Ik had een verdomd mooie verzameling Nederlandse postzegels gehad. Van mijn grootvader had ik ook twee jachtgeweren en twee kleine pistooltjes gekregen. Een deel van mijn bezittingen was weg. Ik geloof dat er ook dingen verkocht zijn. Mijn vader had in de oorlog geld nodig gehad voor zijn rokerij en had die niet willen opgeven.
Mijn grootvader was behoorlijk welgesteld geweest. Hij had twee dubbelhuizen en het grote huis waarin wij woonden. Na de oorlog was dat allemaal weg. Ik heb er niet naar gevraagd. Ik vond het te pijnlijk.
Ik had moeite met de slapheid van mijn vader. Voor mijn gevoel werd alles aan zijn verslaving opgeofferd. Toen ik terugkwam en hoorde dat hij het roken ook in de oorlog niet had opgegeven, kon ik dat niet verwerken. Daarbij had hij mijn moeder ook niet altijd goed behandeld. Geweld gebruikte hij niet tegen haar; dat had hij ook niet moeten proberen.
Ik heb haar eens horen zeggen dat zij haar hoofd in de gasoven wilde leggen. Wat toen precies de aanleiding was, weet ik niet. Maar zoiets blijft je eeuwig bij. Dat kon voor mij niet meer goedgemaakt worden, al was hij in andere opzichten normaal of goed. Dan knapt er iets.
Later werk bij de marine
Na de oorlog heb ik op de Rijkswerf ook aan de O 27 gewerkt. Die boot had tijdens de oorlog bij de Duitsers gevaren. Wij moesten hem ombouwen en opknappen.
Later heb ik een mooie fotografische afdeling mogen inrichten, met goede camera’s en alles wat daarbij hoorde. Toen prins Bernhard op bezoek kwam, gaf ik de fotograaf opdracht foto’s te maken.
Anton Elbers, die een jaar ouder was dan ik, was adjudant van de prins. Hij schreef dat de prins die foto’s graag wilde hebben. Wij stuurden ze op. Vervolgens werden zij in drie groepen verdeeld: foto’s die de prins zelf wilde houden, foto’s die gepubliceerd mochten worden en foto’s die vernietigd moesten worden. Dat vernietigen heb ik nooit gedaan. Die foto’s heb ik gehouden.
Op een van die foto’s staat de prins met een duikersmes dat hij bij zijn bezoek kreeg. Hij wilde altijd wel een cadeautje hebben. Daar hoorde nog een ander verhaal bij.
Toen de Piet Hein voor onderhoud lag, kwam ook zijn duikapparatuur bij ons terecht. De persluchtflessen waren bij de bevestigingsbanden gecorrodeerd. Er werd mij gevraagd wat ermee moest gebeuren. Als het gewone flessen waren geweest, zouden wij ze hebben afgekeurd. ‘Maar deze zijn van de prins.’
‘Mooi,’ zei ik. ‘Vernietigen.’
Daarna belde zijn adjudant: wat deed ik nu? Ik had de flessen van de prins afgekeurd. Dat kon toch niet zomaar?
‘Jawel,’ zei ik. ‘Als een stoker die dingen niet op zijn rug mag gespen, dan de prins zeker niet. Geef hem maar goede.’
Of hij dat aan de prins kon vertellen? Ja, natuurlijk kon hij dat vertellen.
Bij het bezoek zei de prins: ‘Er is hier iemand die mijn flessen heeft afgekeurd.’
‘Ja, Koninklijke Hoogheid, dat was ik.’
‘Misschien maar goed ook,’ zei hij, ‘want ik ben al twee keer bijna verzopen.’
Toen heb ik op mijn tong moeten bijten. Ik had willen zeggen dat prinsen niet verzuipen, maar verdrinken.
De prins had een olifantengeheugen. Daar heb ik wel voorbeelden van gehoord. En hij was ook nog gek op olifanten.